Actueel |
|
Bergen, 18 november 2008Lieve lezer, Ik schrijf dit op een koude ochtend, het is acht graden in mijn huisje. Ik heb een poosje met mijn knieën tegen de radiator gezeten en dronk mijn eerste kop koffie maar het schoot niet op. Mijn dochter Marianne woont in Amsterdam-Oost, anti-kraak, die woning gaat over een half jaar plat en is dus oud en daar is geen cv en ze heeft zo’n grote ronde gaskachel en ze heeft ontdekt hoe heerlijk het is om koud te slapen, dan op je blote tenen ’s ochtends naar die gaskachel te trippelen, die aan te steken en dan te voelen hoe het vertrek zich langzaam vult met warmte. Je kunt vlak bij die kachel gaan staan, je handen ernaar uitgestrekt da’s beter dan de voorgekauwde warmte in onze nieuwe huizen. Die kachel van haar is zo heet, je kunt erop koken. En je was drogen: in haar kussensloop staat het patroon van de bovenkant van die kachel geschroeid. Je moet er wel mee om kunnen gaan natuurlijk. Ik heb eindelijk wat rust aan mijn kop. Er zijn dagen dat ik niet de deur uit hoef en gewoon ontspannen schrijven mag. Dat was de afgelopen maanden wel anders. Spanning en sensatie sloeg de klok. Vandaar ook dat de temperatuur dertig graden moest dalen voor ik weer eens iets op deze site kon schrijven.
De film Morrison krijgt een zusje kwam uit en sloeg enorm aan, zij het dat door het mooie weer de bezoekersaantallen tegenvielen, de poëziebundel Ik blijf altijd bij je bij prenten van Marit Törnqvist verscheen en er werden er in korte tijd twaalfduizend verkocht, poëzie, je gelooft je ogen niet, ik ken mensen die er zes gekocht hebben, toen kwam de zilveren griffel voor Sjaantje doet alsof en in oktober vond de première plaats van De diepvriesdames, een musical die ik schreef naar een kort verhaal van Annie M.G. Schmidt. Die loopt als een tierelier en de recensies deden mij blozen. Als je een idee van de voorstelling wilt krijgen, kun je op www.dediepvriesdames.nl kijken. Dit jaar bloeien de rozen tot diep in november. Ik bevind me in de maand september van mijn leven en er bloeit meer dan ooit.
Ik heb natuurlijk niet stil zitten kijken hoe al die dingen verschenen, uitgereikt werden of opgevoerd, ondertussen deed ik ook nog van alles. Als je dit niet wilt lezen, sla je het maar over. Maar dan mis je wel wat. Bijvoorbeeld de nu volgende liedtekst. Die komt in de musical Brandende liefde, naar het boek van Jan Wolkers, die maart volgend jaar in première gaat. Dit lied wordt het pauzenummer. Je moet maar eens een middag op een terrasje in de Jordaan gaan zitten, in Amsterdam, met een ferme cappuccino of een appelsap, en dan goed kijken naar alle ouwe mannen die langsfietsen. Dan zie je wat ik laatst zag: De jongetjes van Amsterdam In alle mannen die ik ken zie ik de jongens die ze waren. Ze waren oude jongetjes en dat zijn ze gebleven: Ze kochten wel een zeilboot maar er was geen land meer te ontdekken. Ze waren oude jongetjes en dat zijn ze gebleven: De jongetjes, ze gaan niet dood, ze blijven leven in hun dromen, Je kent ze vast wel. Ik bedoel te zeggen dat ze nooit oud durfden te worden dát is hun mislukking. Jongetjes in dorpen kunnen beter oud worden, daar zijn dorpen voor gemaakt. Terwijl ik aan Brandende liefde schreef heb ik met de mannen van Theater Terra, die prachtige voorstellingen maakten over Kikker, plannen ontwikkeld voor een kindermusical, een oorspronkelijk verhaal, met als werktitel De grote avonturen van kleine mol. Die ga ik binnenkort schrijven, niet alleen de liedteksten maar ook het verhaal. Iets voor 2010. En laatst kreeg ik volkomen onverwacht een mail van Burny Bos met de mededeling dat het nu werkelijk tijd is om een film te maken over Robin. We kwamen samen en waren het snel eens: het wordt Robin is verliefd een eenvoudige film voor de aller- allerkleinste bioscoopgangertjes. Ga ik ook mee aan de slag. Ook iets voor 2010. Dat wordt een lollig jaar vol feestelijke premières, want het scenario dat ik eerder schreef voor Mooi leven, een familiefilm, wordt volgende zomer en najaar gedraaid en komt ook in het gezegende jaar 2010 in de bioscoop. De VPRO heeft de uitzendrechten gekocht. Ik ben dan achtenvijftig, nog lang geen oktober. De herfstanemoontjes sluimeren nog in hun knop. Ik belde laatst Ineke Houtman, die ooit De freules regisseerde en volgend jaar die film Mooi leven gaat maken, en zij vertelde mij dat Freud aan het einde van zijn leven had gezegd: “Eén vrouw en hard werken zo moet je leven.” Daar had-ie tachtig jaar over nagedacht! Ik wist het al toen ik nog niet eens geboren was. En sindsdien heb ik me eraan gehouden. De wetenschap valt me een beetje tegen, de laatste tijd. Laatst dacht ik: leuk, zondagavond, beetje tv kijken, zien of er iets intellectueels van mijn gading is. En ja hoor: eerst kregen we de ouwe Jan Blokker en zijn zonen en die deden een stukje over de moord op Theo van Gogh. Dat bestond uit wat huiskamergekeuvel van de heren over de tijdgeest, een fotootje van Theootje, een van de kleine Mohammed, weer wat gekeuvel en daarna reed een van die zoons in een auto door Amsterdam, die had zeker net zijn rijbewijs, en toen was het afgelopen. Toen kwamen er twee psychologen vertellen over de invloed van voedsel op de psyche en na een half uur kwamen ze tot de conclusie: “Als een mens honger heeft en hij eet wat, voelt hij zich daarna prettig.” Waarmee de invloed van voedsel op de psyche onomstotelijk was aangetoond. Toen kwam Charles Groenhuizen vertellen over de Gouden Eeuw in Nederland. Eerst liep hij door New York. Daar had hij een enorme verrassing voor ons. Hij ging bij een bordje HARLEM staan en vroeg toen guitig: “Harlem, Amerika...? Nee... HAARLEM! Nederland!” Toen ging hij bij een bordje BROOKLYN staan: “Brooklyn, Amerika...? Nee... BREUKELEN! Nederland!” Toen ging hij bij een bordje WALLSTREET staan en zette ik de tv uit. Ik heb een uur droef voor mij uitgekeken. Zo voor randdebiel te worden versleten, dat was mij nog nooit overkomen. Ik weet dat je naar bijna geen enkel programma kunt kijken als je je vloerkleed niet onder wilt kotsen, maar de Blokkers, echte psychologen, een programma over geschiedenis...! Ik voelde me diep beledigd. Het was weer het oude principe: als de mensen te dom zijn om het spoorboekje te lezen, laten we alle treinen op het hele uur vertrekken. Hoppetee! Eén vrouw en hard werken. Daar ga je subliem van dromen. Ik ben sprookjesschrijver. Wordt 2009 een leeg jaar? Geenszins! Want dan komt September uit, mijn bundel met poëzie voor volwassenen. Die is bijna af, moet ik deze maand inleveren. Het wordt een stemmige bundel met felle uitschieters. Een verslag van de afgelopen jaren: mijn pleuris, de dood van mijn vader, de liefde voor Margje en mijn kinderen, de geboorte van Kingston jazeker! Maar daarover straks. Over Kingston. Die lekkere kleine Kingston... Al met al een verzameling vol wan en hoop, zoals het hoort, met liedteksten, verzen voor kinderen en gedichtjes voor volwassenen, want, bullshit, een gedicht voor kinderen dat volwassenen niet raakt is slecht voor kinderen en een liedtekst die op papier niet deugt verdient het niet te worden gezongen. Zo zie ik het en ik geef mijn mening niet graag voor een andere. We zullen zien. Ik neem zelfs de toespraak op die ik hield bij het afscheid van mijn vader. En dit gedicht: Boom De boom is niet En zeker niet De boom is niet Gaat ook over mijn vader. Maar dat heb ik nu pas door, een half jaar nadat ik het schreef. Wat ik binnenkort moet gaan doen, maar ik weet nog niet wanneer ik er de tijd voor zal vinden, is het laatste deel van Robin schrijven. Nummer negen, de allerlaatste: Robin en de vallende ster. Het hangt er van af wanneer ik aan musical Mol en film Robin is verliefd moet beginnen. Die gaan voor. Ik heb zeker nog twee maanden nodig om de laatste Robin tot een waardige afsluiting te maken. We zien wel. Het wordt sowieso een goede tijd voor Robin, want in mei nam ik bij De Kunst in Tilburg een dvd op van Robin en Suze. Geen cd dus, maar een dvd waarop je mij vol in beeld kunt zien voorlezen. Dat was nog een hoop gedoe, vond ik, want bij een cd kun je je krabben waar je maar wilt en roken als een uitslaande brand, als ze de belendende auteurs maar nat houden, maar bij een dvd moet je haar goed zitten. En je broek en je hemd en je sokken, je mascara, tot ze zeggen: dat zit wel goed. Dan mag je pas beginnen. Jeuk krijg je ervan. Maar het ging naar wens. En die beelden van mijn arme kop en lijf worden doorsneden met de prachtige tekeningen die Philip Hopman bij het boek maakte en die hebben ze ingekleurd en zelfs een beetje laten bewegen! Als ik ‘hoger en hoger en hoger’ zeg, zie je de schommel met Robin steeds hoger gaan. De dvd komt volgend jaar op de markt. En dan komen er ook nog eens twee ‘oudjes’ aan, klassiekers van mijn hand. Toen ik een paar jaar geleden wegging bij uitgeverij Leopold, nam ik de rechten op al mijn boeken mee. Alleen Het zakmes wilden ze graag houden. Dat vond ik goed en nu vind ik het zelfs heel plezierig. Het boek wordt volgend jaar opnieuw herdrukt, dat wordt de zeventiende druk, en deze moet de ‘definitieve’ worden. Dat wil zeggen dat het boek zo mooi moet worden dat het in de vorm die we nu kiezen de eeuwen kan trotseren. Of zoiets. Het omslag wordt gemaakt door Marit Törnqvist en ik heb voorgesteld er een dvd in te doen van de tv-serie. Niet van de bekende film, maar van de serie die zeker een kwartier aan extra scènes bevat en waarin ook alle liedjes te horen zijn die uit de film zijn gesneden. En dan wil ik er als extraatje het tv-interview bij dat Ischa Meijer mij afnam kort nadat de serie in New York de Emmy Award had gewonnen. Een hilarisch gesprek. Onlangs heb ik op advies van mijn collega’s Rita Verschuur en haar dochter Marit Törnqvist contact gezocht met de heren Hoogland & Van Klaveren te Hoorn en hen verzocht eens te kijken naar Het boek van Josje en zij belden mij en kwamen langs en vertelden dat ze het als een genoegen zouden beschouwen mijn boek opnieuw uit te geven en dat ze alleen maar uitgaven wat ze zelf prachtig vonden en dat ze nooit een boek in de ramsj deden en dat en dat en dat... De treinreis naar Hoorn is altijd al een feest voor mij, langs het dorpje Berkhout, waar ik Robin was, en nu issie dat helemaal. Volgend jaar, het gezegende 2009, verschijnt Josje, want zo gaat het heten, op advies van mijn inmiddels in de uitgeverij zeer ingevoerde dochter Marianne, bij Hoogland & Van Klaveren. Met een omslag van Marit. Als toen en nu en altijd: voor volwassenen die graag kinderboeken lezen en voor kinderen die houden van boeken die een leven lang meegaan. Het boek is inmiddels verschenen in Amerika, Duitsland en Engeland, India komt eraan dus waar hebben we het over? Ik ben als een kind zo blij, dat merk je. Nog iets over de wetenschap, de nieuwe wetenschap: op een mooie julinacht zat ik op het terras achter ons huis de krant te lezen. De kaarsen hingen weer eens aan de vlammen, zoals het hoort, maar het onweer kwam naderbij. Ik las een artikel over het einde van de mensheid. Allemaal flauwekul, het ging over ene planeet X die op ons hoofd zou vallen. In 2012 al. Als we dan allemaal net toevallig op onze handen lopen hebben we x-benen. Ik geloof niet meer in planeten. Sinds ze Pluto hebben afgeserveerd omdat-ie te klein is, wil ik er niets meer van weten. Ik vind dat zo zielig. Het ergste is: ze weten het zelf nog niet op Pluto. Zelfs slecht nieuws reist trager dan het licht. Een andere mogelijkheid, zo las ik, was het ontstaan van intelligente robots met gevoel die ons zouden elimineren. Daar heeft een hoop volk het over tegenwoordig. De eerste regendruppels vielen op mijn krant maar een reden om naar binnen te gaan was dat niet. Opeens flakkerden de vlammen op de kaarsen, alsof ze wilden waarschuwen dat er iemand rond het huis sloop met kwaad in de zin. En dat was ook zo. Want wat niemand beseft is, dat die robots niet door ons gemaakt gaan worden, maar dat ze door evolutie zullen ontstaan uit ons! Andersom dus! Dat is het masterplan! Noem dat maar goede zin. Volgens mij komt het woord robot uit het Russisch: robotnik, wat arbeider betekent. Snap je wat ik bedoel? Ze zijn al lekker bezig. Met hun rookverbod, straks hun drankverbod, dan hun patatverbod, fietsen met een helm op, veiligheidsgordels om tijdens het ontbijt, alle mails die we schrijven, alle telefoongesprekken die we voeren geregistreerd en opgeslagen, chip in onze arm om onze bewegingen te volgen, Triple P., twaalfhonderd fatsoensambtenaren alleen al in Amsterdam, kosten 5,3 miljoen, bedacht door een overheid die al decennia kort op onderwijs en zorg, die stellen: ‘Heb realistische verwachtingen’, het vierde gebod dat betekent: elektroshocks bij opspelende fantasie, hoe heeft het ooit zo ver kunnen komen in een land dat eens de verbeelding aan de macht probeerde te brengen, iedere avond dezelfde wanstaltige koppen op tv, waar hetzelfde wanstaltige gekwaak uit opstijgt, we worden voor onze geboorte al gescanned op anarchisme en dan liggen we eruit of we worden gemanipuleerd tot we ter wereld komen met een dichtgenaaide mond waar geen rook of drank of vet in kan en waaruit geen opstandig woord zal klinken, we moeten op den duur zo’n duizend jaar meekunnen en al die tijd onze bek houden. En is er iemand die daartegen protesteert? Nee. En hoe komt dat? We worden geen robots, we zijn het al. Alleen we hebben het niet door. Omdat we al robots zijn. We krijgen het ook nooit door, het is net zoiets als dement worden. Maar zo’n wereld wil ik toch niet achterlaten voor jou en voor de kleine Kingston en alle anderen! Ten aanval! Zo zat ik te denken, daar op mijn terras en net toen ik ten aanval dacht, joeg de eerste bliksemschicht door de katzwarte nacht en knetterde het onweer in de verte. Boven Den Haag. Er is dus nog hoop. Er is nog hoop. Maar ik ben als ‘robot met gevoel’ een halve zomer beroerd geweest van mijzelf. De kleine Kingston ja, onze kleinzoon... Ach nee, daar gaat de brievenwekker! Mijn tijd is op. Mijn brief is af, hardgekookt. Ik moet een laatste gedicht schrijven, getiteld ‘Vier oude mannetjes’ voor de bundel September. Maar morgen schrijf ik verder aan deze brief, want het grootste nieuws moet nog komen. Ik wil zo graag vertellen over het kleine wereldwonder dat Kingston heet. |
|
Bergen, 19 november 2008Op zeven oktober is Kingston geboren, onze kleinzoon, op de verjaardag van zijn mama Naomi, hoe krijg je het voor elkaar. Een kinderboekenweekkindje, een middenindekinderboekenweekkindje: Kingston Illaijah Nesta Gellvin. Nou jij weer. King voor zijn vrienden. De oude poppenspeler Jozef van den Berg zei het al: ieder kind is een kleine koning. En Jacques Brel zei het ook. En als Brel het zegt dan is het zo. Dan zeg ik het ook. En dan hebben we allemaal gelijk.
Op maandag zes oktober reed ik in het busje van kinderboekhandel De Boekenwurm van Valkenburg, waar ik een prettige lezing had gehouden op een basisschool, naar Maastricht. Ik mocht roken als ik nooit tegen iemand zou zeggen dat ik had mogen roken. Ik rookte en de rook vloog als een fijne dikke brief het raam uit en de zon las de brief en lachte zich suf want zo’n brief was het en mijn telefoontje rinkelde. Het was Margje. Ze stond midden op het Vrijthof op en neer te hupsen en ongegeneerd te gillen. ‘Het komt eraan! Het komt eraan! Wihoe!!!’ Daar keken de Limburgers van op, daar op het Vrijthof, van zo’n dansend omaatje jammer dat ik er niet bij was. ‘Nou, da’s mooi dat je nou net in mijn auto zit,’ zei Hanneke van De Boekenwurm, ‘het is een historisch moment.’ Een kwartier later zaten we in De Oude Vogel Struys of hoe je het beest ook spellen moet, waar het sop altijd veerdig is, met Hanneke en André Sollie en diens man Wim en al gauw ging het gesprek over heel andere dingen, je hield het niet voor mogelijk. We spraken gewoon over de lezingen die we gegeven hadden. De eerste was me slecht bevallen. Ik kwam in een aula met ongehoord drukke kinderen. De juf vroeg: ‘Hoe wil je dat we gaan zitten?’ Ik houd niet van dergelijke juffen. Juffen moeten zeggen: ‘Wij zitten altijd zo, dus vandaag ook.’ Nu zaten ze op bankjes en tafeltjes en waren doende elkaar te schoppen en te knijpen en af en toe hieven ze spreekkoren aan: ‘Wij hebben recht op ADHD! Wij hebben recht op ADHD!’ Die hadden ze ingestudeerd met hun ouders. Ik dacht: ik kan ook schoppen en knijpen als de beste zal ik? Maar ik deed het niet. Ik mompelde voort tot de drie kwartier vol waren en verliet het pand. Daarna had ik die fijne lezing in Valkenburg. Allemaal schattige koppies in de klas, met ogen als gedichtjes waarin je alle woorden las die God bedacht toen hij het nog goed met ons voorhad. En er was daar een jongen, ach jezus... Iemand vroeg wat ik zelf mijn mooiste boek vond. Vragen ze altijd. En als altijd zei ik: ‘Ik kan niet kiezen, het zijn net kinderen van me, mijn boeken, ze komen niet uit mijn buik maar uit mijn hoofd en ze zijn allemaal anders maar allemaal even leuk. Vraag maar eens aan juf wie ze het leukste kind van de klas vindt...’ De juf hief haar handen. Ze wist het niet. ‘Kan ook niet,’ zei ik, ‘want jullie zijn allemaal anders en allemaal even leuk.’ ‘Zo is het,’ zei de juf. ‘Ben ik,’ vroeg toen die jongen, ‘ben ik... dan ook leuk?’ Mijn hart brak en de juf pakte hem even stevig vast. ‘Nou en of,’ zei ze. Dat vertelde ik daar in dat oude café in Maastricht en André had iets nieuws ontdekt: ‘Ik maak nu niet meer een buiging nadat ik een gedicht heb voorgelezen,’ zei hij, ‘ik maak nu eerst die buiging en daarna pas lees ik het gedicht. Vinden ze prachtig. En dan luisteren ze muisstil.’ Dat was geniaal, vonden wij alle vijf. In de trein naar huis keken Margje en ik naar het langsglijdende landschap en we beloofden elkander plechtig niet om de vijf minuten naar Joost te bellen. Daar hebben we ons aan gehouden. Maar we maakten wel om de vijf minuten een buiging voor ons kleinkind. De volgende ochtend stond ik vroeg op. Ik zou ‘s middags een bezoek brengen aan De Brink, een school in Amsterdam Zuid-Oost, niet ver bij de ArenA vandaan, alwaar ze twee keer tweehonderd kinderen bijeen zouden drijven in het gymlokaal om daar naar mij te luisteren, en ik was aan het bedenken wat ik moest doen om het te overleven. Ik zat dus zo’n beetje voor me uit te staren, tussen mijn pantoffels en mijn grijze haar, in mijn hok achterin de tuin, en toen kwam Margje binnen, tranen in haar ogen, en zei: ‘Dag opa.’ Zo eenvoudig gaat dat, je hoeft er zelf niks voor te doen, al geloof ik wel dat ik meteen ontzettend op een opa leek. Wij vielen elkaar in de armen - het is machtig mooi te weten dat een oma en een opa nog zo knuffelen kunnen. Daarna ben ik meteen mijn familie gaan bellen, mijn moeder, mijn zusje, mijn broer, en opende iedere keer ongelooflijk kinderachtig met: ‘Hallo, met opa Kuyper.’ Jezus, ja, ik kon het niet helpen. Opa Kuyper was mijn opa, die zo’n grote rol in de boeken over Robin speelt, mijn vader was opa Kees. De titels waren beide vacant maar ik kon me toch moeilijk opa Kees gaan noemen. Het was een goeie opening, ze waren allemaal even stil als ik het gezegd had en pas na enige contemplatie begonnen ze te jubelen en dan vertelde ik het hele verhaal. Kingston. Bijna zes pond en achtenveertig centimeter, een mooi bescheiden formaatje. Alles en iedereen gezond. Mooi nieuws vertellen vergt meer van je traanklieren dan mooi nieuws vernemen, wist je dat? Er speelde een beroemd gedicht van Lucebert door mijn hoofd dat ik blijmoedig verhaspelde tot: “Er is een grote blije opa in mij neergedaald/die daar van binnen dingen doet die iedereen mag zien/en iedereen mag horen: Kingston is geboren!” Lucebert heeft het mij vergeven. Ik wilde het liefst de straat opgaan om de hele wereld toe te schreeuwen dat de kleine er was, maar eerst belde ik Joost. Hij klonk prachtig vermoeid, als een echte man in turbulente tijden, wijdbeens, ogen op de kim, en nachtenlang alleen wat hazeslaapjes. Eerst vond hij het niet zo’n goed idee dat we die dag al langs zouden komen, ze waren alledrie zo moe, maar uiteindelijk stemde hij in met een bezoekje aan het eind van de middag. In het Ziekenhuis Boven het IJ, want daar is Kingston geboren. Zo kon ik eerst naar de school in de Bijlmer. Ik overwoog vierhonderd beschuiten en tien dozen muisjes te kopen maar zag er vanaf. Dat was een hoop werk en gaf een enorme troep in het gymlokaal. Ik zat tijdens het bellen voortdurend naar teletekst te kijken of Kingston er al op stond, zo’n wereldwonder, maar ze doen daar niet aan wereldwonderen. En toen... liepen Margje en ik het dorp in om van de daken te schreeuwen dat Kingston was geboren. Het werd een bezoekje aan onze stamkroeg, alwaar gastvrouwe Remy ons innig omhelsde. Zo was het ook goed. Kingston, kleine Kingston, die overigens niet Kuyper heet maar Van Brussel. Naar zijn moeder. Moderne tijden. Eerlijk gezegd vind ik Van Brussel een mooiere naam dan Kuyper dus ik kan er niet mee zitten. Kingston Illaijah Nesta Gellvin van Brussel. King. Margje bracht me naar de trein in Alkmaar en we stonden te wachten voor de stoplichten en wat daverde daar over de Westelijke Randweg? Een joekel van een vrachtwagen met KING erop. Zie jij ooit een joekel van een vrachtwagen met KING erop? Ik niet. Maar nu wel. Het ging natuurlijk om pepermunt, maar wat niemand weet, dat is dat KING al eeuwen staat voor Kwaliteit In Niets Geëvenaard. Dat lieg ik niet, dat heb ik gelezen. En nu King geen pepermunt meer is, maar een jongetje, betekent het dat nog steeds. Ik zou zelfs willen zeggen: meer dan ooit. In de trein zat niemand aan wie ik vertellen kon van mijn grootvaderschap, absoluut niemand. Je hebt van die treinen. Iedereen keek stug voor zich uit alsof-ie al jaren opa was en het nog nooit aan iemand had kunnen vertellen. Zo mag ik niet worden, dacht ik. Gelukkig werd ik van Bijlmer ArenA opgepikt door Merredith, die ongeveer zo oud was als ik, ook twee kinderen in de twintig had en zich heel goed kon voorstellen hoe fantastisch het was om een kleinkind te krijgen. Ze reed me naar de school, schonk een cappuccino in en bracht me naar het gymnastieklokaal en daar zaten ze, tweehonderd kinderen tussen vier en acht, op de grond, ze maakten een ongelooflijke herrie, en ze waren allemaal donker. Ik geloof dat ik drie witte koppies zag, drie suikerklontjes. Voor de rest waren het allemaal Kingstonnetjes. Dat ontroerde me. Ik weet niet of ik je al eens geschreven heb dat Naomi uit Suriname komt, maar dat is dus zo. Kingston was weliswaar totaal wit geboren, had Joost me door de telefoon verteld, maar onder de nagelriemen was een donkerder tint zichtbaar, dus hij zal ook zo’n mooi kleurtje krijgen. Prachtig. Nu eerst die kinderen in de zaal maar eens stil zien te krijgen. Dat bleek een makkie. Een juf begon langzaam in haar handen te klappen en de kinderen namen het over. Heel loom klapten ze, een applaus kon je het niet noemen. Toen stak die juf haar hand omhoog en dat deden de kinderen ook en het was doodstil. Ik kon beginnen. Ik las een Robinverhaal voor maar daar werden ze weer een beetje onrustig van. Ik herinnerde me een bezoek dat ik samen met Koos Meinderts aan Suriname bracht. We gingen scholen af om over onze boeken te vertellen en in Albina hadden ze ongeveer vierhonderd kinderen samengebracht in de kantine van een militaire kazerne. Ze stonden daar in hun mooie blauwe uniformpjes echt als lucifers in een doosje tegen elkaar en achter hen stonden vijf grote soldaten met mitrailleurs. Als ik zou liegen zou het minder spectaculair zijn. ‘Jezus,’ zei ik tegen Koos, ‘als we dit kunnen, kunnen we voortaan alles.’ ‘Zo is het,’ zei Koos, ‘jij begint!’ Ik begon voor te lezen maar merkte al snel dat het niet werkte. Het boek in mijn hand hing als het ware tussen mij en mijn publiek in. Ik moest ze aankijken, grootse gebaren maken. En dat deed ik. Ik ken een aantal gedichten uit mijn hoofd en verhalen hoef je niet voor te lezen, die kun je ook navertellen. Zo ging het goed, al was er af en toe gegiechel dat ik niet verklaren kon, ik zei niks lolligs. Tot ik zag dat met name de jongens niet naar mij keken, maar naar iets wat zich boven mijn hoofd leek af te spelen. Ik draaide me om en zag een muurschildering van een wulpse blanke vrouw met joekels van tieten. En daar moest ik het tegenop nemen! Het lukte en het lukte ook hier in Amsterdam. Ik liet het boek zakken en vertelde verder uit mijn hoofd. Ze luisterden weer aandachtig. En toen kon ik me niet langer inhouden. ‘Het is een heel bijzondere dag voor mij,’ zei ik, ‘want ik ben een paar uur geleden... opa geworden.’ Het zegt die kleintjes niks, dacht ik, maar geloof het of niet, ze begonnen te klappen. En niet loom als eerst, nee, er klonk daar een werkelijk oorverdovend applaus! Zo hard, dacht ik innig tevreden, is er vast nog nooit geklapt voor de geboorte van een kind. En het was natuurlijk ook niet zo maar een kind dat geboren was, nee, het was Kingston. Ik was geweldig blij dat ik daarna nog een uur mocht doen, nu voor de oudere kinderen, want zo’n applaus wilde ik nog een keer. En ik kreeg het. Wat een dag! Na afloop vertelde ik aan een Surinaamse leraar dat Kingston half Surinaams was. Dat vond hij prachtig. Hij riep er meteen een collega bij: ‘Kom! Kom! Deze man, deze man hier is opa geworden van een half Surinaams kleinkind!’ Ik heb me nog nooit zo voor tweehonderd procent een man gevoeld als toen. ‘Het moet wel een mooi kindje worden,’ zei ik, ‘met zo’n moeder en zo’n vader.’ Hij keek me even peinzend aan en zei: ‘Ja, dat moet wel. Met zo’n opa.’ Merredith bracht me terug naar de metro en gaf me twee klinkende zoenen. Ik vroeg me af waarom ik niet iedere dag een lezing gaf op een school in de Bijlmer. Vier oude mannetjes Vier oude mannetjes, Vier oude stoeltjes rond Ze willen niet meer weten Maar één ding wel, niets Vier oude mannetjes, Vier oude stoeltjes rond Ik vroeg me af hoe ik het gerieflijkst bij café De Ponteneur kon komen. Ik weet niet of je het kent, het staat vlakbij station Muiderpoort. Daar had ik met Marianne afgesproken, in De Ponteneur. Margje zou rechtstreeks met de auto uit Bergen naar het ziekenhuis komen. De trein van Bijlmer ArenA naar Muiderpoort kwam pas over twintig minuten en ik had geen zin om te wachten dus ik besloot de metro te nemen, in de Wibautstraat uit te stappen en de rest te lopen. Ik wist niet hoe dat moest, ik bedoel het lopen zou nog wel gaan, maar ik had geen idee van de te volgen route. Ik ben geboren in Amsterdam maar ging er weg toen ik twee was en grote delen van de plattegrond zijn mij een doolhof. Ik maakte me niet druk, ik kon verdwalen en toch nog op tijd komen. Ik droomde vannacht van een babypimpelmeesje dat op mijn hand kwam zitten en waarmee ik kon praten, maar dit terzijde. Ik stapte uit in de Wibautstraat en dacht: ik moet naar het noorden. Ik kon aan het licht zien waar dat was. Dus ik liep een straat in, draaide een shagje, stak het op, groette één voor één de allochtone winkeliers die voor hun nering stonden en ook nog weten wat groeten is, betrapte mijzelf op een veerkrachtige tred en zag opeens links de Campertstraat. Dit is allejezus krankzinnig, dacht ik, loop ik hier als het ware op de tast, kom ik langs de Campertstraat! In die straat stond lang, ja meer dan vijftig jaar geleden, de kraamkliniek waarin ik geboren ben, verdomd als het niet waar is, onder supervisie van dokter Fiedeldijdop. Fiedeldijdop was het eerste woord dat ik hoorde, toen hij zich aan mij voorstelde, daaraan dank ik mijn zonnige karakter. Ottedomme was het eerste woord dat ik kon zeggen, want het kan niet altijd feest zijn. Het had geen zin linksaf te slaan want die kraamkliniek is er allang niet meer, dus ik liep rechtdoor. En opeens... wist ik waar ik was! Daar stond het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis, waarin mijn vader tweeëntachtig jaar geleden werd geboren. Tenminste, dat denken wij, dat het daar was wie kunnen we het nog vragen? Joost kwam er mee, met die wetenschap, want aanvankelijk zou ook Kingston daar geboren worden, en dat leek Joost goed en gepast: hetzelfde ziekenhuis waarin mijn vader, zijn grootvader, Kingstons overgrootvader geboren was. Maar hoe Joost aan die informatie kwam... Ik heb eens gedroomd, een jaar of twee geleden, mijn vader was nog niet lang dood, dat mijn zusje spoorloos was. Ik bedoel mijn zus, mijn zuster van nu, niet het kleintje van ooit. We konden haar niet vinden en haar mobieltje stond uit. Ze was vrij lang weg, kwam terug en zweeg over waar ze geweest was. Kort daarna was ze weer verdwenen, iets langer nog, en daarna nog een keer. Toen zei ze: ‘Ik ben bij mijn vader geweest.’ Zij wist waar de doden wonen. Ze wilde niet vertellen waar het was. Misschien had Joost het van haar. Hier was mijn vader dus geboren, ergens in dit gebouw. Nog geen uur na zijn geboorte werd hij verwisseld met een andere baby. Mijn oma kreeg een zuigeling in de armen gedrukt en riep meteen: ‘Maar dit is mijn kind niet, dit is Kees niet!’ Ze had gelijk, de fout werd hersteld, maar toch hebben wij zo af en toe gedacht dat onze vader onze vader niet was. Wat ik wel zeker meen te weten, is dat mijn opa, mijn vaders vader, de overgrootvader van Joost, de betovergrootvader van Kingston, in dit ziekenhuis is overleden. Ik heb hem destijds een aantal malen opgezocht, ik studeerde in Amsterdam. Dat was in 1970. Ik wandelde door mijn geschiedenis naar mijn toekomst. Een gevoel van alle mensen troostende eeuwigheid nam bezit van mij. Ik weet niet hoe ik het uit moet leggen. Misschien zo: mijn hoofd werd van binnen beschenen door het licht van vele tijden. Mijn schoenen zweefden boven de tegels, de dood bestond niet, had nooit bestaan en had ook in de toekomst geen schijn van kans zoals Anne Holm schrijft in de laatste zin van Peter. Want rechts was het Beukenplein, waar mijn grootouders woonden, Jans en Hannie, met mijn vader Kees, eerst op nummer negen, daarna op nummer vijftien. Op vijftien kwam ik in hun leven. Alles en iedereen leefde volop en krioelde door mijn kop. Hoe had ik het zo kunnen bedenken? Uit te stappen bij Wibautstraat en hierlangs te gaan! Links het Oosterpark waar ik met mijn opa voetbalde. Hij geboren in 1893, ik heb zelfs zijn moeder nog gekend, oud omaatje in Robin is verliefd, zij moet uit 1870 of daaromtrent geweest zijn, ik had haar ontmoet hier op het Beukenplein, ik zag haar voor me, mijn vader werd geboren in 1926, ik in 1952, Joost in 1984, en hij was nog niet geboren of ik ging al met hem in de kinderwagen door het Oosterpark en over het Beukenplein, for auld lang syne, en nu was ik op weg naar de kleine Kingston, geboren op 7 oktober 2008. Ik moet dit opschrijven, dacht ik, deze dans door de eeuwigheid, in een fijne brief, want misschien vindt Kingston die brief over een jaar of dertig en bewaart hij hem en laat hij hem als hij een oude man is nog eens lezen aan zijn achterkleinkind en dan zijn we ruim twee eeuwen verder en dat is mij eeuwigheid genoeg. Ik liet het Oosterpark achter mij en zag het terrasje waar ik enkele maanden daarvoor met Marianne zat. Het was toen volop zomer. We waren naar het graf van Nescio gegaan op de Oosterbegraafplaats en daarna zwierven we door de buurten, deze buurten van mijn jeugd. Op het Beukenplein nam ze een foto van nummer vijftien, van de zolderverdieping, omdat ik haar verteld had dat haar opa vanuit het raam daar samen met zijn nicht Lies knikkers op de hoofden van voorbijgangers had gegooid. Dat vond ze aardig, dat opa’s zoiets deden. Een raam op de eerste verdieping schoof open en een vrouw vroeg bits wat we moesten. Ik legde alles uit. Daarna wilde ze bier met mij drinken, maar dat vond Marianne niet goed. We zigzagden het Oosterpark door tot we het beeldje van de titaantjes hadden gevonden en daarna zaten we op dat terras. Een oude Surinaamse vrouw kwam langs, ze collecteerde voor arme bejaarden in Paramaribo. Ik gaf. Ik gaf met gulle hand, want ik dacht: als ze die kas goed beheren, heeft mijn kleinzoon er over tachtig jaar ook nog iets aan. Een voorschot op de erfenis. Ik liep langs de markt op de Dapperstraat. Gelukkig, maar niet domweg. Ik had mijn redenen! Bij De Ponteneur ging ik buiten zitten, op het terras, hoewel het een venijnige windhoek is en je alle knopen dicht moet doen wil je het overleven, maar we worden hard, wij rokers, en eens zal het beloond worden. Rookverbod Goed, dat wij buiten staan, Als de tsunami komt, Ach god, kijk nou, De dieren gaan aan boord Dan zullen wij varen, Ik had dit gedicht nog niet overgetypt of Marianne kwam aangefietst. Wij namen taart, om de geboorte van Kingston te vieren, en cappuccino. Dat namen we. Het is een prettige plek om te zitten, het terras van De Ponteneur, ook al komt de wind van beide polen tegelijk aanloeien. De verkeerssituatie is er prettig anarchistisch, er gebeuren voortdurend bijna ongelukken en geweldige scheldpartijen zijn daarvan het resultaat, je verveelt je geen moment. We namen de bus en reden naar Noord, over die fijne oude Schellinkwouderbrug, daarna geruime tijd dóór Noord, en toen waren we er. Margje zat buiten op een bankje te wachten, uit de wind, en gedrieën gingen we naar binnen. Ik ben nog nooit in zo’n stil ziekenhuis geweest als in het Ziekenhuis Boven het IJ, het leek of het was neergezet voor de geboorte van Kingston en niemand anders er nog van wist. Er zat een juffrouw achter de balie die ons de weg wees en daarna kwamen we niemand tegen. Tot we in de kamer kwamen waar... Wil je geloven dat alles precies zo ging als in mijn boek Robin en Suze? “... en samen lopen ze de kamer in. Naar Naomi in het witte bed. Naomi heeft haar mooie nachthemd aan. Opa schuift het gordijntje van het wiegje opzij. Het wiegje is leeg! Waar is het baby’tje? ‘Kijk es,’ zegt Naomi. Ze tilt een puntje van de deken op. Dicht tegen Naomi aan ligt een opgerolde handdoek. En er bewéégt iets in die handdoek! Naomi tilt een puntje van de handdoek op, en... opa ziet een piepklein hoofdje. Het hoofdje gaat een beetje heen en weer. Opa ziet een mondje en een neusje en twee oogjes die nog slapen. ‘Dit is Kingston,’ zegt Naomi. Opa ziet dunne haartjes...” Nee, daar klopt de vergelijking niet meer. Want Kingston had meteen al een mooi koppie vol zwart haar. Wat een baby! Wat een prachtige, schitterende baby! Zo gaaf, zo lief, zo welkom in ons midden! We gaan een enorme hoop lol maken samen. Ik ga hem sprookjes vertellen, ik ga liedjes voor hem zingen, ik trek met hem de weilanden in en wijs hem de grutto en de buizerd. Ik ga met hem naar Artis. Wat een fijn mannetje! Donkere oogjes met een donkerblauw randje om de irissen. Hij lag heel rustig op het aankleedkussen en liet zo af en toe zijn oogjes wennen aan het licht. Hij huilde even toen zijn temperatuur werd opgenomen, maar Joost legde zijn grote vinger in het kleine handje en dat kleine handje greep de grote vinger en Joost sprak lieve woordjes en Kingston ontspande en ik was zo trots!
En dat ben ik nog, dat ben ik nog en zal ik altijd zijn. Het is een trotse grootvader die je hier zijn hartelijkste groeten doet. Sjoerd |
|